Mijmeren bij 40 jaar Omroep Brabant

Het was 1 juli 1976. De geboortedag van Ruud van Nistelrooy trouwens. Maar ook de dag dat ik -22 jaar oud- begon als radioverslaggever bij Omroep Brabant in een verbouwde kerk in stadsdeel Stratum in Eindhoven.  Met vier verslaggevers, twee bureauredacteuren, een sportredacteur en presentatrice Els van Essen, vormden we de redactie. Onze programmaleider was Rob Funcke. Onze baas was Jacques Grijpink, een oude rot in het vak die precies wist hoe we regionale radio moesten maken. Streng maar rechtvaardig, soms minder streng en minder rechtvaardig. Met een fles oude jenever onder handbereik in zijn bureaulade. Die tijdens vergaderingen die hij saai vond, zijn eigen record nootjes-met-de-mond-opvangen probeerde te verbeteren. Maar die precies wist waar wij naar toe moesten.

De sollicitatieprocedure in het voorjaar van 1976 was bijzonder. Ik moest de voorzitter van het bestuur, de toenmalige burgemeester van Someren, uitleggen waarom ik in mijn militaire diensttijd actief was geweest voor de VVDM, de Vereniging voor Dienstplichtige Militairen die onder meer tegen de groetplicht en voor de vrije haardracht was. In de ogen van de voorzitter een groep linkse staatsgevaarlijke wezens. Ik kwam er doorheen, ondanks dat ik hem ook vertelde dat ik geen KVP stemde, want ook dat was een vraag in het selectiegesprek.

Ik was de jongste verslaggever, al een paar jaar als schrijvend journalist aan het werk in de regio, ik kende de weg en de mensen. Christ van den Besselaar en Dick Wittenberg vormden de bureauredactie. Over collega Wittenberg zou nog een relletje ontstaan omdat hij banden zou hebben met de Rode Jeugd, een militante actiegroep toendertijd. Ook de benoeming van Ab Klaassens (getrouwd met een Eindhovens PvdA-wethouder) zou later nog politiek gedoe opleveren. In de ogen van sommige politici ontwikkelde het jonge Omroep Brabant zich als een rood bolwerk. Aan programmaleider Funcke hadden we niet veel. Die concentreerde zich meer op langslopend vrouwvolk, dan op werk en inhoud. Hij was dan ook vrij snel weg na enige gerichte druk van de redactie.

Eend

We werkten ons half dood daar in de kelders van de voormalige kerk, drie radio-uitzendingen per dag. We werden beloond met hoge luistercijfers en iedereen kende ons. Brabant had eindelijk een eigen zender, eindelijk een eigen stemgeluid in plaats van programma’s uit dat verre arrogante Hilversum waar ze niet eens wìsten dat er beneden de rivieren ook nog enig teken van leven was. André van Dongen was ook verslaggever. Tegen hem keken we een beetje op, niet alleen vanwege zijn postuur, maar omdat hij ook voor Hilversum en zelfs voor een Duitse zender had gewerkt.

Met een rode lelijke eend toerde ik als verslaggever door de Peel, de Kempen en de Meijerij. Onder het dashboard een scanner, model koelkast, en een mobilofoon, zodat we met de redactie konden communiceren. Onze mobilofoonfrequentie deelden we –uit kosten overwegingen had Willy Bollen bedacht- met een zand- en containerbedrijf. Onze gewichtige journalistieke communicatie werd regelmatig resoluut onderbroken door brommende chauffeurs die vroegen waar ze hun container met geel zand precies naar toe moesten brengen. Willy Bollen ja, God hebbe zijn ziel. Hij was er ook vanaf dag één bij. De boekhouder met vanaf dag zeven steun van ene Traudi Wagner. Onze eerste salarisstroken vulde Willy nog met de hand in. Hij begreep in eerste instantie niet veel van de hartklop van journalisten. Het zou voor hem altijd een beetje ‘wij’ en ‘zij’ blijven. We hadden huismeester Eddy van den Akker, die in de loop der tijd in gewichtigheid niet onderdeed voor de baas, maar altijd klaarstond. We hadden op het ‘koor’ van ons kerkgebouw een oude sofa staan, voor middagdutjes of andere bezigheden die niets met radio te maken hadden. We hebben ooit naar boven moeten roepen: ‘Kan het iets zachter daarboven?’ Nee, namen noem ik niet.

Met zware Uher-bandrecorders op onze nek, scheurden we door stad en land. Thuis in de studio stonden onder meer Mario Nozza en Jan Verhoeven in ECK 1 (EindControleKamer) klaar om voor en met ons te monteren, eerst nog letterlijk met knippen en plakken van de bandjes. Wij moesten met onze tengels van die apparatuur afblijven.

We beleefden avonturen. We hadden onze specialismen, ik was kind aan huis bij enkele woonwagenfamilies van wie nu alleen de initialen nog in de media komen. Het was de tijd van de ontruiming van de grote kampen in Eindhoven en Helmond. Terwijl ME en kampbewoners tegenover elkaar stonden, stopten de kampers even met stenen gooien, zodat de verslaggever van ‘Radio Brabant’ er even door kon. Op een locatie uitzending in een renovatiebuurt trok een buurtbewoner een pistool en schoot in het plafond omdat hij het niet eens was met wat de autoriteiten daar ter tafel brachten. Bij een zwaar verkeersongeluk midden in de nacht was het deze verslaggever die bij een sloot tegen een hoofd aanliep, het hoofd van het slachtoffer waar de politie naar op zoek was.

Hamburg

Het was ook deze verslaggever die door toeval –collega van Dongen was ziek- op reis mocht naar Hamburg om een documentaire te maken over twee Eindhovense Joodse jongetjes die daar in 1945 werden omgebracht. De documentaire leverde ons een mooie prijs op en de verslaggever ontmoette daar in Hamburg ook zijn nieuwe liefde. Twee prijzen dus eigenlijk.

We maakten nieuws door een documentaire ‘What if’ over de gevolgen als de kerncentrale in Mol het zou begeven. Realistisch gebracht. Zò realistisch dat luisteraars in paniek kwamen. Maar we lazen ook braaf in elke middaguitzending de landbouwberichten met de actuele prijzen van de nuka’s (nuchtere kalveren) en iets met het dauwpunt. Net zoals we trouw de rubriek van verloren en gevonden huisdieren voordroegen, waarmee we heel wat leed bij ons publiek wegnamen. Radio dicht mij de mensen ramde de oude Grijpink er bij ons vanaf dag numero uno in.

Omroep Brabant was begonnen als een experiment, tegelijk met Stad Radio Amsterdam. We waren enorm succesvol, luistercijfers die we nu niet zouden geloven. Toch werd in Den Haag na vijf jaar besloten de stekker eruit te trekken. Ook toen was politiek al raadselachtig en inconsistent. Maar Brabant kwam in beweging, we voerden onverdroten actie ‘Houdt Omroep Brabant in de lucht’, met een strijdlied en vele, vele handtekeningen werd Den Haag op andere gedachten gebracht.

Vanuit headquarters in Stratum begonnen we daarna ook in de rest van Brabant, met nieuwe studio’s in Den Bosch, Tilburg en Breda die eigen edities gingen maken, naast de gezamenlijke provinciale radioprogramma’s. Vanaf dag één was Breda een soort vrijstaat binnen de omroep, want ver weg van het moederhuis dat volgens de Bredase collega’s ergens in Oost-Duitsland lag. Dat is nooit veranderd;-)

Ergens in ’88 ben ik vertrokken, ik was programmaleider in Eindhoven en vond het niet meer leuk. Bovendien had ik een zeurderig conflict met de toenmalige directeur Douwe van Dam. Ik ging naar VNU/Brabant Pers, chef van de consumentenredactie. Bijlages maken. Veel reizen, veel zien. En in 1996 samen met oud-Omroep Brabant collega en vriend Johan van Uffelen aan de basis van TV8 Brabant. Dat voelde zoals in het begin bij OB: klein team, weinig middelen, neuzen dezelfde kant op, we konden de wereld aan. Niet lullen, maar poetsen. Het was een succesformule. VNU trok er te vroeg de stekker uit. Daar hebben ze tot op de dag van vandaag nog spijt van. TV8Brabant werd geschiedenis en ik werd uitgenodigd om terug naar Omroep Brabant in Son te komen om televisie verder mee uit te bouwen. Maar ook met de opdracht om de regio’s op te heffen omdat dat financieel niet meer kon. Dat heeft pijn gedaan bij de mensen die daar werkten natuurlijk. Ik wist maar al te goed met hoeveel liefde en energie op al die plekken gewerkt werd. En –eerlijk is eerlijk- radio was en is toch nog mijn grote liefde.

Er kwam een moment dat ik het wel gehad had met nieuws. Toevallig kwam mijn huidige functie vrij bij varia tv. Als een vis in het water voel ik me daarbij. Goede ideeën, mensen en –vaak- geld aan elkaar knopen. We hebben veel mooie dingen gemaakt, eerst met onze eigen redactie. Later met veel externe makers. Ik kon Frank Lammers aan ons binden met mooie series als ‘De Kracht van Brabant’ en ‘Canon van Lammers’. Lammers die aan het eind van de serie Provinciale Staten toesprak over de kracht van onze provincie. We maakten mooie series als Natuurrijk, Merlijn over de grens, Er komt een aap.., Booming Brabant, De Wandeling. We bevorderden samen met Mevrouw van den Oetelaar het Brabantse worstenbroodje tot een echt icoon. We stopten twee makers met hun gezinnen in een huis in Moerdijk om van binnenuit het verhaal van dat dorp te vertellen. As we speak volgen we –al bijna een jaar- de fanfare van Andel. We hebben veel makers via onze Brabantse Beauties gestimuleerd om mooie Brabantse docu’s te maken en zijn daarbij gegroeid tot een van de hoofdafnemers van de subsidies van het Mediafonds dat nu op slot gaat, een drama voor Brabants talent. We zijn er volop met carnaval en bij veel andere evenementen die Brabant ademen. Want daar gaat het om met onze programma’s: de Brabantse identiteit en cultuur. Er staat weer iets moois op stapel: Brabant 2047, honderd jaar na de start van de wederopbouw. Hoe ziet Brabant er dan uit? We gaan het de mensen vragen die die toekomst zelf maken: jongeren. Maar ook wetenschappers, futurologen, demografen en zo. In 2047 ben ik 93. Benieuwd of ik het dan nog een keer kan terugkijken.

En nu Omroep Brabant midden in een transformatie van traditionele omroep naar een hedendaags online bedrijf. Ooit zei nog iemand in ons bedrijf: ‘Dat internet, ach dat waait wel over’. We leven en werken in een wereld waar andere wetten en regels gelden, waar meten en weten een veel grotere rol spelen, in plaats van ons alleswetende buikgevoel. Waarin we meer naar ons publiek luisteren. Ik hoor het mezelf zeggen: wie had dat veertig jaar geleden op 1 juli 1976 allemaal kunnen bedenken.

Dit kwam allemaal langs gemijmerd, nadat ik onlangs op een mooie pinksterdag op de nieuwsredactie rondliep. De discussie ging over de nieuwe bisschop De Korte, die zomaar op de redactie was aangetroffen. “Die oude man die hier was, was-ie dat?” vroeg de ene online-redacteur aan de ander. Ik ben nog wel van de feiten, dus vroeg hoe oud die bisschop dan wel niet is. Er werd snel gegoogeld: “Zie je wel, al van 1955!”. Die oude man is dus een jaar jonger dan ik.

twee reacties

ab klaassens - 04-07-’16 21:27

Na ruim veertig jaar journalistieke arbeid zou mijn
geliefde oud-collega Lodevicus Donders toch moeten
weten dat je niet toendertijd schrijft maar toentertijd.
Zijn beschrijving van de omroepgeschiedenis in die
beginjaren wekt mooie herinneringen aan pioniersarbeid, romantiek en sentiment. Een huilende vrouw aan de telefoon:
“Eindelijk iets over Reusel op de radio.”

Ria de Wit - 05-07-’16 20:47

Betrapt! Zoals veel collega’s destijds aan de schandpaal werden genageld in het gevreesde ‘Mappie van Appie’, met schrijftips en uit redactionele teksten geplukte spel- en taalfouten. Wat heb ik daar als jonge journaliste veel van geleerd! En natuurlijk van Lout, mijn leermeester, inspirator en lieve vriend.

(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om commentspam te voorkomen, moet je deze vraag even beantwoorden.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.